RD4
Rekendiagnostiek op 4 handelingsniveaus
Werken met RD4

Werken met RD4

RD4 focust vooral op de ontwikkeling van rekenenwiskunde bij jonge kinderen. In de onderbouw van het basisonderwijs worden de fundamenten gelegd van functionele gecijferdheid. Hiervoor is het noodzakelijk dat kinderen goede rekenwiskundige concepten ontwikkelen. Jonge kinderen leren spelenderwijs en doen daardoor veel begrippen op. Daar sluit het handelingsmodel op aan.
Het handelingsmodel biedt de mogelijkheid om de ontwikkeling van kinderen te volgen, te analyseren en te stimuleren. "Volgen" betekent kijken en luisteren naar wat een kind al weet en kan. Door goed te observeren tijdens de rekenlessen maar ook daarbuiten, leren wij hoe een kind denkt en handelt. Hoe gaat het kind om met getallen en hoeveelheden?
In RD4 staat bij onderzoek naar rekenproblemen het begrijpen van de rekenwiskundige handeling centraal. Op de tweede plaats staat de ontwikkeling van rekenvaardigheid in combinatie met het automatiseren. Dit proberen we te analyseren aan de hand van het handelingsmodel.
Handelingsmodel
De ontwikkelingsfasen worden in RD4 aangegeven met de kleuren rood, oranje, geel en groen. Aan de hand van deze kleuren kunnen we zien hoe de ontwikkeling van de leerling verloopt. Jonge kinderen ontwikkelen begrippen en kennis vooral via de onderste twee handelingsniveaus en ontwikkelen geleidelijk aan steeds meer conceptuele kennis en vaardigheden op de hogere niveaus. Daarbij is communicatie met andere leerlingen en met volwassenen van groot belang. Door te praten en te discussiëren over te leren onderwerpen reflecteert de leerling op de eigen kennis en vaardigheden en verwerkt tevens de nieuwe informatie. Daardoor wordt het netwerk van kennis verder uitgebreid. Oudere kinderen en volwassenen kunnen steeds meer gebruiken maken van wat zij al weten en kunnen daardoor nieuwe kennis en vaardigheden ontwikkelen via de hogere niveaus. In het dagelijks leven, echter, gebruiken we alle niveaus door elkaar. Functionele gecijferdheid betekent dat we onze rekenwiskundige kennis in dagelijkse situaties goed kunnen gebruiken.
Bij het schoolse rekenen worden de leerlingen meestal beoordeeld op het kunnen maken van sommen en complexe berekeningen op de hoogste twee niveaus. De ontwikkeling op de onderste twee niveaus wordt niet getoetst. Bij RD4 kijken we meer genuanceerd naar wat de leerling op de alle handelingsniveaus weet en kan.
Bij jonge kinderen kijken we bij het handelingsmodel van onder naar boven. Hoe verloopt de ontwikkeling van het kind? Wat kan het al en wat nog niet? Hoe kijken we vooruit? De kinderen hoeven daar nog niet op niveau 4 te kunnen presteren, behalve bij de vraag "tot hoever kun je tellen?" Dat kan alleen op niveau 4. In de matrix staat met een gekleurd balkje aan de rechterkant in de cellen aangegeven tot op welk niveau de vragen bij dat item worden gesteld. Bij groep 1 en 2 zien we daar ook rode, oranje en gele balkjes. Dat betekent dat kinderen op die leeftijd niet hoger in het handelingsmodel hoeven te kunnen presteren. Vanaf groep 3 zijn alle items uitgewerkt tot op handelingsniveau 4.
Bij kinderen in de hogere leerjaren kijken we van boven naar beneden. Hoe is de ontwikkeling tot nu toe verlopen? Wat kan een leerling in groep 3, 4 en 5 al en wat nog niet? Hoe kijken we terug? Hoe groot is de achterstand van de leerling? Wat zou de leerling op handelingsniveau 4 al moeten kunnen, gezien zijn leeftijd en de groep waarin hij zit? We kijken dus van boven naar beneden in het handelingsmodel en ook terug naar voorafgaande groepsniveaus. Maar ook dan kunnen we ons afvragen wat een kind op een hoger groepsniveau al kan. Is de basiskennis van bijvoorbeeld grotere getallen al aanwezig?
De leerstoflijnen In de matrix gaan van E1 tot E5. Bij de opdrachten stappen we bij groep 1,2 en 3 in op de niveau 1 (rood) en 2 (geel) en volgen we de ontwikkeling naar boven. Sommige onderdelen, bijvoorbeeld uit het hoofd tellen en het schrijven van getallen, kunnen echter alleen op niveau 4 worden uitgevoerd. Bij groep 4 stappen we in op niveau 2 en 3 en kijken we vooruit en terug. Bij groep 5 stappen we in op niveau 4 en kijken we terug. Wat zou de leerling moeten kunnen op niveau 4 en hoe groot is zijn achterstand?
Het profiel laat zien wat de leerling heeft bereikt gedurende zijn schoolloopbaan. Aan de hand van dit profiel kunnen we de achterstand bepalen van de leerling ten opzicht van het groepsniveau en van zijn medeleerlingen. We kunnen echter ook zien wat de leerling (tot op zekere hoogte) al wel weet . We kunnen het profiel van links naar rechts, maar ook van rechts naar links lezen.
In het onderstaande profiel zien we dat de leerling (E3) voornamelijk functioneert op het niveau van M3. In zijn ontwikkeling zien we dat de leerling op niveau E3 bij de onderwerpen tellen en getallen niet presteert op handelingsniveau 4, maar wel op niveau 3, dus met ondersteuning van een denkmodel. Bij het splitsen en het schrijven van getallen presteert de leerling nog niet op het niveau van E3, maar er is wel ontwikkeling te zien op het niveau van M3. Dit heeft invloed op zijn ontwikkeling bij optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

Profiel leerling
Profiel van leerling

Het profiel kan dus op 2 manieren worden geïnterpreteerd. De basis is aanwezig en in ontwikkeling, maar de leerling presteert nog niet op groepsniveau. De leerling heeft extra begeleiding nodig om die ontwikkeling te stimuleren. Daarbij ligt de nadruk op het spelen en werken met hoeveelheden, tellen en getallen tot en met het niveau van E3. Geleidelijk aan kunnen daaraan de overige gebieden worden toegevoegd. De leerling heeft extra begeleiding nodig om die ontwikkeling te stimuleren. Daarbij ligt de nadruk op het spelen en werken met hoeveelheden, tellen en getallen tot en met het niveau van E3. Geleidelijk aan kunnen daaraan de overige gebieden worden toegevoegd. Om verdere problemen en vastlopen in het onderwijs te voorkomen is het van belang snel in te grijpen. Hierbij volgen we de fasen van het ERWD-protocol.
Bij een normale ontwikkeling (groen) volstaat het rekenonderwijs op groepsniveau. Daarbij is differentiatie een normaal gebeuren om tegemoet te komen aan de verschillen tussen de leerlingen. De meeste rekenmethodes geven aan hoe dat kan worden georganiseerd. Bij een geringe achterstand (fase geel) is zorgvuldig afstemmen van het rekenonderwijs op de ontwikkeling van de individuele leerling noodzakelijk. Dat kan door middel van verlengde instructie of pre-instructie en afstemmen van het programma.
Naarmate de achterstand groter wordt (fase oranje), moet de begeleiding intensiever worden. Extra onderzoek naar de rekenproblemen binnen de school ( door de interne begeleider, rekencoördinator of rekenspecialist) en extra begeleiding (intern of extern) als aanvulling op zorgvuldige afstemming van het rekenonderwijs op groepsniveau, is noodzakelijk. Als de problemen toenemen en de achterstand nog groter wordt (fase rood) is extern onderzoek door specialisten gewenst en intensieve begeleiding noodzakelijk. Aan de hand van onderstaand model kan de ontwikkeling van een kind worden geïnterpreteerd en kan worden bepaald welke begeleiding het kind nodig heeft.
RD4 Model
Op deze wijze kunnen profielen van kinderen worden geïnterpreteerd. Daardoor is snel en adequaat ingrijpen mogelijk. Door het onderwijs goed af te stemmen op de ontwikkeling van de leerling kunnen verdere problemen worden voorkomen. RD4 biedt daarvoor aanknopingspunten.